Hoe gebruik je een Meester Gijs grammatica pagina?

Stap 1: Bekijk eerst de video, zet op pauze waar nodig en maak aantekeningen. Stap 2: Bekijk de PowerPoint en maak de oefeningen voordat je doorklikt naar de antwoorden. Stap 3: Onder elke PowerPoint staan verzamelde oefeningen. Begin bij deel 1 (makkelijk en opgedeeld) en werk door tot de een-na-laatste (moeilijk en complex). Stap 4: De allerlaatste oefening is de berucht Meester Gijs quiz. Doe je die foutloos dan snap je het onderwerp. Goede antwoorden worden bewust niet gegeven. Stap 5: Denk nog een keer rustig na over je fouten en probeer het nog eens. Je uitslag komt na het invullen van je gegevens in de ranking te staan.

can / could

Can en could (modals) gebruik je om iets te vragen of te zeggen wat je kunt/kon. Could is beleefder dan can bij het stellen van vragen.

Future (4 varianten)

Praten over de toekomst doe je met de Future tenses: I will come. He is going to leave. We are seeing a movie. My train leaves in 15 minutes.

Future – will, to be going to

De toekomst (Future tense) voor een voorspelling: We will win the match (geen bewijs). We are going to win the match (met bewijs). Iets van plan te doen? I am going to do my homework tonight.

Gerund en to + infinitive

De gerund (werkwoord + ing) en de to + infinitief zijn twee varianten van een werkwoord als zelfstandig naamwoord: PLAYING football is my hobby. I prefer TO EAT pasta with a spoon.

indirecte rede

,

De indirecte rede (reported speech) is het doorvertellen van wat je hebt gehoord. Mike: I love lasagne. Me: Mike told me he loved lasagne. Het hoofdwerkwoord gaat altijd één stapje terug in de tijd.

kloklezen

Voorbeelden: It's three o'clock PM (15:00). It's five past three AM (03:05). It's a quarter past three PM (15:15). It's half past three PM (15:30). It's twenty-five to four AM (03:35). It's ten to four PM. (15:50)

lidwoorden (deel 1)

Met lidwoorden (articles) geef je aan of je het over iets specifieks of algemeens hebt. Did you read a book? (algemeen) of Did you you read the book? (specifiek). Lidwoorden: a, an, the.

lidwoorden (deel 2)

Soms zet je geen 'the' als lidwoord (article) voor het zelfstandig naamwoord, ook al doe je dat in het Nederlands wel. Ik houd van de lente = I love spring.

like / as

'Like' en 'as' betekenen beide 'als'. Like is voor de figuurlijke vergelijking (niet echt zo) en as als werkelijke functie.

meervoud

Als er meer dan één van iets is, zet je het zelfstandig naamwoord (noun) in het meervoud (plural). Meestal +s, maar er zijn ook uitzonderingen. One kiss, two kisses.

passive

, ,

In een actieve zin voert het onderwerp van de zin de handeling uit: I throw the ball. In een passieve zin (Passive) ondergaat het onderwerp de handeling: The ball is thrown.

Past Continuous

Gebruik de Past Continuous om aan te geven dat iets een tijdje bezig was. We were doing our homework yesterday evening when Trey called.

Past Perfect

Je gebruikt de Past Perfect (had + voltooid deelwoord) wanneer je meerdere momenten in het verleden bespreekt. vb: She had texted Eric before Eric saw her at the disco.

Past Simple

De Past Simple gebruik je voor alles dat afgelopen is. Twee voorbeelden: I lived in Amersfoort last year. I did my homework yesterday.

Present Continuous

Alles wat je NU aan het doen bent zeg je in de Present Continuous tijd. Hiervoor gebruik je 2 werkwoorden: to be (am/is/are) + het actiewerkwoord+ing. vb: 'I am reading this right now.'

Present Perfect

De Present Perfect heeft zowel betrekking op het verleden als nu. vb: She has played rugby for three years. Ze speelt al 3 jaar en nu nog steeds.

Present Simple

De present simple gebruik je als je het hebt over feiten, gewoonten en regelmatigheden. Bij he/she/it voeg je een -s toe achter het werkwoord. vb: He plays, she works, my father washes.

should / should have

Met should en should have kun je adviseren en beoordelen. Should + werkwoord = advies voor de toekomst. Should have + voltooid deelwoord = verwijt over het verleden.

so, neither / nor

,

Wanneer je iets of iemand wilt vergelijken kun je so, neither, nor gebruiken. Je gebruikt ze voor het duiden van overeenkomsten. vb: I play tennis. So does he. I can't come. Neither can she.

tijden mix

Het betreft hier de Present en Past Simple, Continuous en Perfect. Tip: Let op de hoeveelheid werkwoorden, de signaalwoorden en welke tijdsperiode het betreft.

voegwoorden

Voegwoorden leggen verband tussen de verschillende delen in een zin. Je kunt ze gebruiken voor bijvoorbeeld een opsomming (and), een keuze (or), oorzaak (because) of tegenstelling (although).

voorzetsels

Een voorzetsel kun je gebruiken om een plaats of tijd aan te geven; at school, in summer. Sommige werkwoorden gaan samen met een voorzetsel; to look at, to talk about.

woordvolgorde

Woordvolgorde gaat over de structuur van een zin. Denk aan de lokatie van de tijds- en plaatsaanduider, een mogelijk bijwoord van frequentie (always, never, etc.) en het lijdend of meewerkend voorwerp.

would like to / would love to

Als je vraagt of iemand iets wilt/leuk vind gebruik je would like to. Als je zelf iets heel leuk vind, dan kun je ook zeggen: would love to. vb: I would love to see that movie with you!